GEEN GEZICHT


De argeloze voorbijganger knippert met de ogen:
wat staat daar, een kind op een trapje!
Het tuurt naar binnen, ach god, hoe oud, nog geen twee jaar,
naderbij gekomen ziet hij, welnee, het is een pop,
een quasi aandoenlijke grap,
de voorbijganger, nieuwsgierig, komt naderbij trekt voorzichtig
het capuchonnetje opzij O afgrijzen!
Het o zo lieve kind heeft geen gezicht,
een lelijke grijze bult zonder ogen, zonder neus, zonder mond.
Onthutst wandelt hij door, plotseling zoemen lang vergeten filmbeelden door zijn hoofd,
een verdronken kind in een rood regenjasje,
en de hoofdpersoon maar zwerven,
overal duikt het kleine rode regenjasje weer op,
hij er achter aan in gekmakende hoop, trappen op,
steegjes door, bruggetjes over,
o wat is Venetië beklemmend en regenen, regenen,
de vader is wanhopig, hij zoekt, hij hoopt tegen beter weten in,
achterhaalt het kind dat zich, hoog in de toren, eindelijk omdraait,
O afgrijzen, een gil gaat door het bioscooppubliek,
de haat, het pure kwaad, de veel te grote bijl,
het rood voor de ogen, het zaallicht.
De wandelaar rilt en haast zich door de schemer naar huis.
Voort, voort, de lampen ontsteken, een dampende kop thee en geen film, nee geen film.

Geïnspireerd door een zgn. ‘gluurpop’ en de film “Don’t look now”)

Annemieke van Rooijen