VEREND TAPIJT
De moeder is van aarde,
steen,
doorstroomd met water, het begin
en einde. Voer voor de levenden.
Zij geeft immers onophoudelijk.
Uit haar buik haal je indien gewenst
vergeten filmrolletjes
weggegooide trouwringen
eerste stenen
de
versierde beker van een hoofdman.
Voor het grijpen liggen daar
de
verscheurde stukken,
gebarsten levens, zeebodem, akker.
Duik gerust in
dieper lagen, buig,
kniel en spreek de vader.
Laat grondmoeder je iets
geven,
een kleine schep, een handjevol,
plaats ze op een voetstuk
of
achter glas, herinner je.
Annemieke van Rooijen
(Dit gedicht staat in Meulenhoffs scheurkalender van de poëzie 2011, op 30
januari.)